GENEALOGISCHE SITE VAN DE FAMILIES
PRAATS - PRAETS - PRAETZ
De Fundatie van een vrijdagse mis in de Lindelse kapel .
*
Bron : 100 jaar Parochie Lindel Hoeven - Veel zand en goede wil
( Henri Naus )
*
Het onstaan van de parochies en de benoemingen van haar bedienaars was slechts mogelijk als er voldoende inkomsten waren tot onderhoud. Bronnen van inkomsten waren schenkingen van onroerende goederen door weldoeners en offergaven van de inwoners.Waar die offergaven eerst nog op vrijwillige basis gebeurden, evolueerde het gebruik in de eeuwen naar een verplichte bijdrage : de tienden. Een tiende van alle opbrengsten van de oogst en van de aangroei van de veestapel werd aan de kerk afgestaan.Deze opbrengst werd in drie delen verdeeld : één voor de kerk , een voor de priesters en één voor armen.Later werden deze tienden opgeëist door de grondbezitterZo kwamen ze in het bezit van de Heren, of van de abdijen, die het patronaat over de kerk hadden.In Overpelt was dit de abdij van Floreffe. Het derde deel dat oorspronkelijk bedoeld was voor de priesters bleef, maar de overige twee delen werden door de grondbezitter aangeslagen (Stinissen J. Geschiedenis van Peer pag 81 )
De inwoners van het Lindel moesten lang wachten op hun eerste op regelmatige tijdstippen opgedragen mis. Op 18 juli 1518 geeft Gerard van der Marck , bisschop van Luik , goedkeuring aan de fundatie van een wekelijkse mis in de Lindelkapel te Overpelt ( GAO regestenlijst nr 15 18 juli 1518 origineel op perkament , zegel verdwenen . Een kopie van deze oorkonde bevindt zich in het Stokregister nr 803 pag 5 - 6 )

Gerard van der Marck , door de genade van God en van de Apostolische Stoel bisschop van Luik aan allen die deze, onze brief zullen zien , lezen en horen , onze eeuwige heilwensen in de Heer samen met de erkenning van de waarheid van wat hieronder geschreven staat.
Wij denken aan de vrome wensen der gelovigen , die de uitbreiding van de goddelijke eredienst beogen , een bereidwillige en welwillende instemming te lenen en bovendien in de ogen van de Allerhoogste een aangenaam dienstwerk te verrichten .
Aan ons heeft de in Christus geliefde Antoon, zoon van Willem Praets , geestelijke van ons Bisdom Luik , een aantal verschillende jaarlijkse en erfelijke inkomsten of bijkomende cijnsen en goederen , hieronder vermeld , opgedragen :
Deze goederen en erfenissen heeft hij dus ten behoeve van de goddelijke eredienst en het opdragen van missen in de kapel van Lindel , parochie Overpelt , in ons voornoemd Bisdom , puur en simpel om Gods Wil nagelaten en bij testament of op een andere wijze geschonken , toegewezen en overgedragen . Daarom heeft hij ons nederig gevraagd dat wij ons zouden willen gewaardigen. :
Derhalve :
Wij , Gerard , bisschop van Luik voormeld , die de nederige suppliek en vraag van gezegde opdrager vroom beamen en die de uitbreiding van de goddelijke eredienst en het zieleheil ten zeerste verlangen , keuren goed , incorporeren , passen toe en stellen in dode hand , de voormelde inkomsten of cijnsen en erfgoederen , en ook andere , door om het even welke christen gelovigen in de toekomst vroom te schenken , te legateren , of na te laten , ( goederen ) ten voordele van voormeld altaar van Sint Quintinus , in gezegde kapel van Lindel opgericht en gewijd , en wij belasten en regelen deze zoals voornoemd , geschonken , gegeven , nagelaten en toegekende goederen met als last één mis per week ten eeuwige dage in de toekomst door de fungerende rector of bedienaar op te dragen , en wij richten op en stichten dat altaar ten titel van eeuwigdurend kerkelijk beneficie aan een wereldlijk priester of geestelijke te verlenen . En aldus door ons opgericht beneficie verlenen wij voor deze keer aan Antoon , de opdrager , en wij benoemen hem bij deze in dit zelfde beneficie .
Ten bewijze waarvan wij het aangewezen geacht hebben onze gedingzegel aan deze brief te hechten .
Gegeven in het jaar sinds de geboorte van de Heer duizend vijfhonderd en achttien , de achttiende dag van de maand juli .
Vertaling uit het Latijn door de Heer E.H. Giel
Dit stuk , opgesteld in de toenmaals gebruikelijke ambtelijke formulering , kunnen wij als volgt resumeren .
Antoon Praets , schenkt een aantal goederen en cijnzen aan de bisschop van Luik , bestemd voor de Lindelse Kapel . In ruil daarvoor vraagt hij dat de bisschop voor die kapel ten eeuwigen dage de functie erkent van een kerkelijk ambt ( beneficie) met de verplichting om daar elke vrijdag een mis op te dragen . Vervolgens vraagt hij om als eerste beneficiant benoemd te worden. Tevens vraagt hij om het patronaatsrecht toe te kennen aan de pastoor van Overpelt , Jan Naus ( Pastoor Jan Naus alias De Rave , was geboortig van Weert . Hij trad in in de abdij van Floreffe op 14 oktober 1491 . Hij werd provisor in de priorij van Wanze , een landbouwuitbating van de abdij. Nadien werd hij pastoor te Overpelt tot aan zijn dood op kerstdag 1532 . ) en diens opvolgers .
De titularis van het beneficie, de rector , was uiteindelijk verantwoordelijk voor alle verplichtingen die voortsproten uit de stichting . Hij kon echter die verplichtingen en de financies doorgeven aan iemand anders , de bedienaar . In de loop der jaren is het nogal eens voorgevallen dat dit gebeurde .
De stichting van de vrijdagse mis is het begin van een groot aantal legaten aan de kapel. In zoverre dat er een kapelmeester diende aangesteld te worden om het beheer van de goederen en de cijnzen waar te nemen. Ieder jaar werd deze functie door iemand anders waargenomen.Hij diende na zijn dienstjaar zijn rekeningen in te dienen bij de oude kapelmeesters . In een register ( GAO nr 761 register van de Sint Kwintenskapel in Lindel )werd de kapelmeester genoteerd met daarbij de kasrekeningen van zijn dienstjaar. De lijst begint in 1689 en loopt door tot in 1804 . De pastoor van Overpelt klaagde in 1726 , bij de aartsdiakenale visitatie ,erover dat de kapelmeesters weigerden de rekeningen bij hem in te dienen . Na het Concordaat met Napoleon in 1802 werd deze taak door de kerkfabriek van Overpelt overgenomen . De " stichting Praets "zal tot 1905 in Overpelt-Centrum blijven, maar bij de deling der goederen ging zij over naar de kerkfabriek van Lindel - Hoeven . In 1912 had deze laatste echter nog steeds niet de baten van de stichting ontvangen . In 1931 werd de opbrengst zo klein dat ze samengevoegd werd met de stichting Renckens (1860) , maar gezien het feit dat de kerkfabriek van Overpelt-Centrum de opbrengst van beide stichtingen niet meer naar Lindel - Hoeven doorstortte , moest de kerkfabriek van het Centrum de stichting onderhouden .
Van de eerste rector , Antoon Praets , weten wij enkel dat hij de zoon was van Willem Praets. Hij kreeg het beneficie op 15 juli 1518 . Op 14 juni 1532 werd op voorstel van pastoor Naus , Antonius a Lapide ( Van den Steen ) rector na het ontslag van Hendrik Gheenen.